Go to Top

Golven

We liepen op het strand. Hij had zijn handen in zijn zakken. De zon scheen flauw door een laagje wolk. We praatten over ons dagelijks leven. De dingen die we niet gedeeld hadden de afgelopen dagen en de dingen die we samen beleefd hadden. Zijn golven en mijn golven kabbelden langs elkaar heen en strandden. Ik wilde de zijne raken. Ik werd onrustig van het falen. We liepen toch niet voor niets samen op het strand? Een ander onderwerp, begrip, meer afstand houden, bedenken dat ik moest berusten, dat het nu eenmaal soms zo gaat. Met een vol hoofd. Moe. Het hielp niet, of het lukte niet.

‘Zullen we gaan zitten?’
Ik wees naar daar waar het zand droog was en schuin omhoog ging. Waar strand en duin gescheiden werden door kilometers prikkeldraad. Alsof ze niets met elkaar te maken hadden. Geen gelukkige geschiedenis deelden. Niet slechts twee, maar ook één waren.

We praatten door. Over anderen. Over onbelangrijk. Onze voeten klimmend, ploeterend, balans zoekend in het zachte zand.

Toen ging hij zitten, zijn benen wijd. Ik plofte ertussen neer, mijn rug tegen zijn borst en buik, mijn hoofd op zijn sleutelbeen. De schelp klapte onmiddelijk dicht. Het was abrupt stil en warm binnen zijn greep. Ik hoorde de zee ruisen. We zuchten een paar keer samen. Zijn golven gingen gelijk op met mijn golven. Er waren geen woorden nodig. En geen ingewikkelde theorieën. Alleen voelen. En geduld.

‘Weet je nog, hoe we hier zaten in 2009 of 2010?’ Zijn trilling drong door mijn rug en hoofd en oor.
‘Het was 2008. Ik weet nog precies wat je toen zei.’

Op dat moment wist ik zeker: ik zou spoedig het klefste stukje gaan schrijven dat ik tot dan toe geschreven had.