Go to Top

Het proces

Ik schrijf een boek. Tussen het wegbrengen en ophalen van jongste door. De schrik als ik zie hoe lang het geleden is dat ik de laatste wijzigingen aanbracht, is inmiddels zo vetrouwd dat het me helpt in de juiste stemming te komen. Een muziekje – nee hét muziekje, want altijd hetzelfde – dat zacht mijn onderbewuste aait, doet de rest. Leidt dat niet af? Nee, dat leidt niet af. Het is als dat schilderij dat al tien jaar boven de bank hangt. Mooi op de achtergrond en onzichtbaar voor het bewuste.

Ik lees mijn eigen woorden tot het verhaal weer wakker wordt in mijn hoofd. Als ik alle personages uit bed heb gekregen, laat ik ze verder gaan met hun door mijn verstand gekaderde reis. Ik ben hun god en hun dienaar. Ik denk hun levenslopen uit en leg die vast. Ik typ wat, kijk op de klok… spring op van mijn stoel en ren naar de gang. Om gelijk weer terug te rennen naar mijn laptop, op ‘opslaan’ te klikken en de laptop dicht te klappen, want stel dat de kat…

Op het schoolplein zijn mijn personages nog wakker. Ze drentelen tussen de ouders door. Ik typ nog een zin voor een van hen in de notitie-app van mijn telefoon. En dan staat een van mijn twee best gelukte scheppingen alweer voor mijn neus.
‘Waar zijn je trommeltje en je flesje?’
‘Ik had vandaag een banaan en een pakje drinken mee.’
‘O ja.’
Geruisloos kruipen mijn personages hun bed weer in.

Ik schrijf een boek. Het schiet niet op. Daarom ga ik twee nachtjes naar een b&b naast de duinen. Ik verwacht niet zo snel te schrijven dat ik mijn boek in die paar dagen af krijg. Ik verwacht wel dat mijn personages dan lang genoeg wakker zijn om hun verhaal uit te leven. Zodat ik dan thuis verder kan typen. Desnoods in honderdduizend stukjes. Tussen het wegbrengen en ophalen van jongste door.