Go to Top

Pad

‘Mama, kom kijken! Een dooie pad!’
Die vinden we wel vaker in de tuin. Of in de gang. Kleintjes. Gedwee loop ik achter jongste aan, de tuin in en zie daar een volgroeid exemplaar in een atletische houding. Met een takje kietel ik zijn teentjes die recht naar de hemel wijzen. Ze wriemelen. Hij leeft. Zijn hoofd en buik zijn begraven tussen en onder twee vlonderplanken. Hij had zich willen verstoppen. In plaats daarvan biedt hij nu zijn dikke kont aan elke buurtkat aan.

Nu ik van de situatie weet, ben ik medeverantwoordelijk voor zijn afloop. Als ik niets doe, is zijn beste einde de hongerdood. Verscheurd worden door een harig monster lijkt me het minst prettig. Ons lot is verstrengeld. Of hij morgen nog leeft, of ik morgen een halve pad tussen de planken vindt, alles hang nu af van mij. Maar ik durf hem niet aan te raken…

Met het takje duw ik tegen zijn zij. Er gebeurt niets. Als ik het harder doe, maak ik hem ongetwijfeld gehandicapt. Zijn gebrek aan ruimtelijk inzicht en onjuiste zelfbeeld zijn al genoeg ballast. Ik zou met de hand moeten wrikken. Om te wennen, raak ik kort zijn bil aan. Hij voelt koud. Ik voel een vlaag dapperheid en grijp hem zachtjes vast. Zijn lijf deukt in en zijn ingewanden dansen tussen mijn duim en wijsvinger. Daar moet ik geen mousse van maken. Ik stop. Neem afstand. Sommigen bevriezen in noodsituaties. Dat doe ik ook wel eens. Maar dit is zíjn nood. Hij mag bevriezen, niet ik. Ondertussen hangt zoon met zijn neus boven de pad. ‘Volgens mij is hij al wat omhoog.’
Natuurlijk moet ik doorzetten. Ik trek een beetje links en dan weer een beetje rechts, duw met mijn vinger tegen zijn zij, zeg nog een keer ‘ieuw!’ en herhaal de routine. Nu geloof ik zoon. Er is hoop. Dan is de bevalling ineens voltooid. Ik til hem op en zet hem tussen de plantjes. Hij hopt weg, verstopt zich. Alsof ik gevaarlijk ben. Niet zijn redder. Alsof zijn eigen wedergeboorte hem koud laat.

Ik heb vandaag een leven gered.